14 juni 2013

Wat maakt een Park + Ride (P+R) tot een succes en wat niet? De afgelopen tien jaar is er veel geïnvesteerd in P+R's, transferia en zogenoemde Regiopoorten (grote P+R's aan de snelweg). De één succesvoller dan de ander. Tegelijkertijd volgen er nieuwe initiatieven. Mijn advies is investeer vooral in bestaande P+R's.

Regiopoorten

De bereikbaarheid van de regio Arnhem-Nijmegen staat onder druk. Mobiliteitsmanagement en de aanleg van extra infrastructuur, zoals P&R-terreinen moeten die bereikbaarheid verbeteren. Regiopoorten zijn een vorm van grootschalige P&R direct gelegen aan de snelweg met een zogenaamde ‘weidefunctie’. Reizigers worden ongeveer in het midden van hun reis verleid om te wisselen van vervoermiddel, bijvoorbeeld van de auto naar de trein. De centrale gedachte hierbij is dat de positieve eigenschappen van ieder vervoermiddel benut worden. We spreken hierbij over multimodaal transport.

  • De auto wordt gebruikt als voortransport. Het openbaar vervoer kan hier moeilijk concurreren, omdat je met de auto echt voor de deur kunt instappen.
  • Het openbaar vervoer, in dit geval de trein, wordt gebruikt als hoofdvervoermiddel om de eindbestemming te bereiken. De auto is geen concurrent vanwege files, gebrek aan parkeerplaatsen of hoge parkeerkosten.

In de praktijk bestaan er echter twijfels rondom dit concept. In opdracht van de stadsregio onderzocht ik daarom in mijn masterscriptie in hoeverre en onder welke condities regiopoorten bijdragen aan het verbeteren van de bereikbaarheid. Ook bekeek ik hoe deze bijdrage vergroot kon worden.

Lokaal gebruik

Regiopoorten zorgen inderdaad voor een lichte verbetering van de bereikbaarheid. In totaal zijn er drie criteria die het gebruik van een regiopoort beïnvloeden:

  1. Verplaatsingsfactor: Dit is de verhouding tussen de deur-tot-deur reistijd met de auto en deur-tot-deur reistijd met het multimodale alternatief, waarbij de auto het voortransport is en de reiziger overstapt op ander vervoer. De reiskosten zijn, in deze masterthesis, hierin ook geïntegreerd.
  2. (Relatieve) Afstand tot de regiopoort: Reizigers die op meer dan 5 kilometer van de regiopoort wonen, maken nauwelijks de overweging om deze te gebruiken. 
  3. Beschikbaarheid concurrerend openbaar vervoer: Reizigers kiezen voor de dichtstbijzijnde transportknoop om over te stappen tussen modaliteiten. Op het moment dat de beschikbaarheid van concurrerend openbaar vervoer in de regio groot is, is de potentie van de regiopoort lager.

Na analyse blijkt dat regiopoorten vooral door reizigers uit de lokale omgeving worden gebruikt en niet, zoals oorspronkelijk bedoeld, door reizigers uit de regio. Ik adviseer daarom om in te zetten op het versterken van bestaande P+R-locaties en niet op het aanleggen van nieuwe locaties. Deze locaties zijn al beter afgestemd op de criteria die de keuze voor multimodaal transport beïnvloeden. De Stadsregio Arnhem Nijmegen speelt hier al op in door de P+R-faciliteiten (parkeerplaatsen) uit te breiden op bestaande stations, zoals in Didam en Duiven.

Tot slot is specifiek gekeken naar de casus Zevenaar Oost. Hiervoor is geprobeerd om de P+R potentie van dit station te bepalen door middel van een nieuwe methode. Uiteindelijk blijkt dat de potentie van Zevenaar Oost bestaat, maar dat deze relatief beperkt blijft tot Zevenaar Oost en Rijnwaarden.

Masterthesis: Regiopoorten, de toekomst van multimodaal transport?

Delen:

Facebook Twitter Linkedin Email Pinterest